Als je me wat beter kent, dat zou je weten dat …ik graag desembrood maak.
Ruim twintig jaar geleden, ben ik begonnen met m’n eigen brood bakken. Toen nog met gist en in een broodbakmachine. Jaren later maakte ik een starter (rijsmiddel) en bakte af en toe een zuurdesembrood in de oven. Daar kwam vervolgens de klad in, maar de starter bleef ik wekelijks voeden. Zodat ik het weer makkelijk op kon pakken.
En zo kwamen er in de loop van de tijd een rozijnenbrood en pizza in m’n receptenboekje. En natuurlijk ook focaccia. En vorig jaar maakte ik zelfs Zweedse kaneelbroodjes. Een recept wat ik op m’n twintigste in Zweden heb geleerd en wat ik om heb gezet naar een desemvariant.
Terug naar de broden. Een tijdje terug ben ik overgestapt op een ander merk bloem. En dat luistert nogal nauw. Het eiwitpercentage zorgt in combinatie met water voor de opbouw van het glutennetwerk. Wat zorgt voor een luchtig broodkruim. Als er weinig eiwit in het meel en/of de bloem zit, is het lastiger om een stevig glutennetwerk te vormen. En zo kan je brood dus wat compacter worden.
Natuurlijk zijn er meer variabelen die ervoor zorgen dat het brood licht en luchtig wordt. Zoals de hoeveelheid water, het zout, het vouwen van het deeg tijdens de bulkrijs en het vormen van het deeg voordat het de koelkast in gaat of de kamer- en oventemperatuur.
Ik hou van uitproberen en experimenteer regelmatig met al die verschillende variabelen. Soms wat te veel want de fraai gerezen broden waren ineens verleden tijd. Natuurlijk komt er altijd een brood uit de oven. Alleen veel platter en met een compacter kruim. Of compleet smakeloos als je het zout een keer vergeet 😉
Op een gegeven moment was ik het even helemaal zat. De lol was eraf voor mij, want het lukte me gewoon niet meer om een – vond ik – fatsoenlijk brood uit de over te krijgen. Hoe voorzichtig ik het deeg ook vouwde, het ging plat bij het vormen of voordat het de oven in ging. Brood na brood na brood. Ik snapte er niks meer van.
Nou zag ik wel het een en ander in het deeg gebeuren, maar wist er niet zo goed wat ik er mee moest. Hoe ik het kon veranderen. Tot ik het deeg onlangs wat meer met rust liet. Ik ging weer op m’n zintuigen vertrouwen bij het mengen, vouwen en vormen. Liet het meel en bloem meer zelf z’n werk liet doen. Het resultaat: ik had in tijden niet zo’n mooi gerezen brood.
Al mijmerend over wat ik nu anders deed dan eerder, kwam ik tot de ontdekking dat ik het deeg veel te veel oprekte. Ik volgde de instructies die ik online zag en las. En toen ik daarmee stopte en vanuit m’n intuïtie de geleerde technieken toepaste lukte het weer. Kon ik weer een ‘mooi’ gerezen brood uit de oven halen.
En toen moest ik lachen. Om mezelf. Want het was alsof ik in een spiegel keek. Of het proces van het maken me teruggaf wat er in mijn leven speelde. Want ik was mezelf al maandenlang aan het oprekken. Ik zat weer behoorlijk tegen m’n grenzen aan te schuren waardoor de burn-out klachten weer gezellig om de hoek kwamen kijken. En ik was zo m’n best aan het doen om de rust er weer bij mezelf in te krijgen.
Tot het deeg het me vertelde. Ik hoefde niet zoveel. En al helemaal niet mezelf oprekken tot over m’n grenzen. Ik voelde dat ik weer mocht vertragen. Ik hoef niet mee in de snelheid van de maatschappij. Alles heeft z’n eigen tempo. Mijn schouders zakten. En ik haalde even diep adem.
Waar zie jij jezelf in je omgeving gereflecteerd?
Hartegroet,
Esther
Geef een reactie